De kwaliteit van een perceel is een optelsom van de lokale variatie in voedsel hoeveelheid (ligging ten opzichte van de zeegaten en andere percelen), voedselkwaliteit, ruimtelijke variatie in predatoren en/of concurrenten, stroomsnelheid, zoutgehalte, substraat (grondslag), gevoeligheid voor storm (diepte) en ijsgang. De kwaliteit van een mosselperceel kan worden uitgedrukt in termen van productie (mosselton per ha.), gemiddeld visgewicht per perceel, rendement en geschikt oppervlakte. Het rendement van een mosselperceel is het product van groei en overleving. De mosselkwaliteit kan dan weer worden uitgedrukt in visgewicht. Het visgewicht wordt uitgedrukt in het gewicht van het gekookt mosselvlees als percentage van het totale versgewicht. Het visgewicht is doorgaans hoger op locaties waar de voedsel kwaliteit en kwantiteit hoger is. De omgeving van een perceel, maar ook de dichtheid van de mosselen hebben dus een groot effect op de groei en overleving. Voor consumptie mosselen geldt dat de prijs op de veiling vooral bepaald wordt door het visgewicht in combinatie met de grootte van de mosselen.

Voedsel: 

De voedsel kwaliteit en kwantiteit laten grote verschillen zien in ruimte en tijd. Hoeveelheid voedsel is bijvoorbeeld groter in de buurt van de zeegaten. De hoeveelheid oneetbare deeltjes is groter in de Waddenzee dan in de Oosterschelde en binnen de Waddenzee neemt de voedselkwaliteit af richting de afsluitdijk (Van Stralen, 1995). Mosselen kunnen zich ook aanpassen aan de omstandigheden. Uit een studie van Essink and Bos (1985) is gebleken dat mosselen zich beter aan kunnen passen als ze worden verplaatst uit een situatie met een lage naar een situatie met een hogere voedselkwaliteit dan omgekeerd. Naast ruimtelijke verschillen in de voedsel kwaliteit en kwantiteit zijn er ook temporele verschillen. Zo is de voedselbeschikbaarheid vaak in de maanden april tot en met augustus vaak het hoogst. Na de zomer neemt de voedselbeschikbaarheid met het dalen van de watertemperatuur weer af. In de winter kunnen de mosselen wel tot 50% van hun vleesgewicht verliezen.

Stroming en golfslag: 

De stroming over een perceel moet voldoende zijn om het water vlak boven de mosselen te verversen en nieuwe voedsel toe te voeren. Bij te lage stroomsnelheden kunnen de mosselen het voedsel lokaal uitputten. Daarentegen, een te hoge stroomsnelheid, golfslag of ijsgang kan er voor zorgen dat de mosselen wegspoelen (Widdows, Lucas, Brinsley, Salkeld, & Staff, 2002). De mate waarin een mosselbank stroming, golfslag of ijsgang kan weerstaan hangt af van de fysische en biologische eigenschappen en de plaats waar de mosselbank zich gevestigd heeft. 

Golven

Met name op ondiepere percelen kan ook golfslag zorgen voor het losslaan en wegspoelen van mosselen. Mosselen die op geëxponeerde, ondiepe of droogvallend percelen liggen beschermen zich tegen wegspoeling door meer byssysdraden te produceren waardoor ze beter kunnen vastgehechte en minder snel worden los geslagen (Beadman, Caldow, Kaiser, & Willows, 2003). Golven zorgen echter voor een zogenaamde orbitaalbeweging. In ondiep water zorgt deze waterbeweging ervoor dat er een kracht op de bodem wordt uitgeoefend die in staat kan zijn hele stukken van een mosselbank te eroderen. Hoe hoger de golven des te groter de kracht die op de bodem wordt uitgeoefend. Het water bij de bodem beweegt dan sterk heen en weer. Daarnaast kunnen golven veel energie uitoefenen als ze breken waardoor er erosie van zowel het sediment rondom als onder de Mosselen kan optreden. 

Stroming
Getijdenstromingen langs geulen kunnen erg sterk zijn en kunnen met name permanent onder water staande mosselbanken aantasten. Droogvallende banken hebben dit probleem als er geulen en prielen ontstaan binnen een bank. Daarnaast kan de stroming ook predatoren zoals Zeesterren worden aan- of afgevoerd.

IJsgang 
Het komt niet zo vaak voor maar droogvallende mosselbanken kunnen in strenge winters erg te lijden hebben van ijs en ijsgang. Als ijsvlakten en ijsschotsen met stroming en wind in beweging worden gezet, kunnen ze alles op hun weg voor zich uit schuiven. Binnen droogvallende mosselbanken kunnen in strenge winters regelmatig erosiesporen van ijs worden gevonden. 

Substraat: 

Mosselen kunnen zich niet vasthechten aan te kleine substraat deeltjes zoals zand of slikkorrels. Veel slik onder de mosselen maakt ze dan ook gevoeliger voor wegspoeling, bij stormen. Op een zandige of slikkige bodem sullen de mosselen zich vooral aan elkaar hechten in plaats van aan het omgevingssubstraat. Schelpen in de bodem (gruizige grond) zorgen ervoor dat mosselen zich goed kunnen hechten en minder op elkaar kruipen. Hierdoor is de lokale dichtheid lager dan op slik of zand (Leuchter, Hartog, & Capelle, 2015) en spoelen de mosselen minder snel weg (De Wit, Hartog, & Capelle, 2015). Mosselen vangen slibdeeltjes uit het water en leggen dit vast op de bodem. Vooral op luwe locaties kan dit slib een dikke laag onder de mosselen vormen. De mosselen hechten zich dan aan elkaar vast en kunnen als een mat op de slik laag blijven liggen. Als de mosselen klein zijn, of in lage dichtheden op een perceel liggen kunnen ze moeilijker een mat vormen en wegzakken in het slik. 

Predatoren: 

Predatoren kunnen een behoorlijk aandeel hebben in het verlies van mosselzaad. Op droogvallende percelen zorgen met name krabben maar ook vogels zoals scholeksters voor grote verliezen. Op sublitorale percelen zijn vooral zeesterren belangrijke predatoren.

Krabben
In een experiment op een droogvallend perceel in de Zandkreek, bleken krabben goed voor een derde van het verlies aan zaad na het zaaien (Capelle, Scheiberlich, Wijsman, & Smaal 2016). De foerageer activiteit van krabben in de winter neemt sterk af. Op locaties waar mosselen snel kunnen groeien, kunnen ze de krabbenvraat ontgroeien (Murray, Seed, & Jones, 2007). 

Zeesterren
De Gewone zeester Asterias rubens is een belangrijke predator van sublitorale mosselzaadbanken. Zeesterren kunnen in hoge dichtheden voorkomen (tot > 500 ind/m2) waarbij ze onder gunstige condities hoge consumptie- en groeisnelheden laten zien. Zeesterren kunnen mosselen consumeren die groter zijn dan zichzelf, maar er is wel een grens waarboven mosselen geen geschikte voedselbron meer zijn. 

Zeesterren zijn gevoelig voor omgevingsfactoren zoals stroming, temperatuur en zoutgehalte. De foerageeractiviteit van zeesterren in de winter neemt af tot nagenoeg nul bij temperaturen onder de 4 °C. Zeesterren spoelen snel weg door stroming. Op een zachte bodem neemt bij toename van de stroomsnelheid het percentage zeesterren af maar de aanwezigheid van mosselen zorgt ervoor dat ze zicht kunnen vastklampen en minder snel wegspoelen (Agüera, van de Koppel, Jansen, Smaal, & Bouma, 2015). Bij stroomsnelheden boven 30 cm/s bleek het percentage op mosselen foeragerende zeesterren ongeveer te zijn gehalveerd. Zeesterren zijn ook erg gevoelig voor lage of fluctuerende zoutgehaltes. In gebieden waar het zoutgehalte laag is of sterk fluctueert, zijn zeesterren vaak afwezig of niet actief. 

De consumptiesnelheid van mossel etende zeesterren kan oplopen tot 0,34 Mosselen per dag per gram zeester. Bij een gemiddelde zeesterdichtheid van 300 g/m2 kan een mosselzaadbank (mosseldichtheid 1000 mosselen/m2 met schelplengte tussen 15 tot 33 mm) binnen 10 dagen volledig geconsumeerd worden door zeesterren. Dergelijke zeesterdichtheden (tot ongeveer 500 ind/m2) en mosseldichtheden (tot ongeveer 3000 ind/m2 ) worden regelmatig waargenomen in de Waddenzee. In normale winters is de temperatuur echter laag en zullen deze consumptiesnelheden niet gehaald worden (Agüera 2012).

Vogels
Scholeksters eten voornamelijk de grotere mosselen op de droogvallende littorale mosselbanken. Scholeksters kunnen vrij dominant zijn en andere scholksters van hun prooi beroven. Dit zorgt er voor dat als de dichtheid foeragerende Scholeksters toeneemt, de opnamesnelheid van voedsel afneemt. Als gevolg van deze interferentie is er een beperking aan de dichtheid waarin Scholeksters naar voedsel zoeken op de mosselbanken. Daardoor is de predatiedruk in de loop van de winter van Scholeksters op droogvallende mosselbanken zelden hoger dan 20% van het aanbod aan het begin van de winter. 

Zilvermeeuwen zijn echte opportunisten, die er niet van schuwen om prooien van andere dieren te stelen. Zilvermeeuwen kunnen vaak in zeer grote groepen op jonge mosselbanken foerageren. Ze hebben een voorkeur voor jonge mosselen die nog niet zo vast zitten gehecht en een nog wat dunnere schelp hebben. 

De predatiedruk van eidereenden op sublitorale mosselen kan zeer hoog zijn. Zo hoog, dat mosselkwekers vroeger personeel inhuurden om de eenden van de kweekpercelen te verjagen. Eidereenden laten duidelijke verspreidingspatronen zien, deze vogels voeden zich vaak op mosselpercelen in de Waddenzee en veroorzaken behoorlijke verliezen onder halfwas en consumptie mosselen. Voor vogels die schelpdieren met schelp en al inslikken, zoals de Eidereend en de Zilvermeeuw, zijn mosselen met veel vlees en weinig schelp natuurlijk het meest profijtelijk. 

Competitie: 

Water waar al een deel van het voedsel uitgefilterd is, bevat minder voedsel voor de mosselen. Dit heet re-filtratie en kan ervoor zorgen dat mosselen op de randen van percelen het vaak beter doen dan in het midden (Knights, 2012). Competitie om voedsel zorgt er ook voor dat jonge mosselen vaak bandachtige patronen vormen omdat ze ofwel sterven ofwel wegtrekken van plekken waar minder voedsel in het water zit (Van de Koppel, Rietkerk, Dankers, & Herman, 2005). Ook is te verwachten dat bijvoorbeeld percelen die stroomafwaarts of in het midden van een perceelblok in een geul gesitueerd zijn minder voedselrijk zijn dan percelen die aan het begin van een geul liggen. Niet alleen competitie om voedsel tussen mosselen kan een belangrijke rol spelen ook andere filteraars zoals oester, kokkels of zeepokken die op de mosselen groeien kunnen voor competitie zorgen. 

Zeepokken
Zeepokken zijn kleine kreeftachtigen, die zich als larve kunnen vestigen op schelpen van levende mosselen. Dit is nadelig voor de mossel omdat deze minder gestroomlijnd wordt waardoor de kans groter wordt dat hij wegspoelt. Daarnaast kan er competitie om voedsel optreden omdat pokken net als mosselen plankton filtreren uit het water. Het is bekend dat zeepokken niet overal een probleem vormen, dit verschilt tussen gebieden en percelen. Een zekere mate van slib lijkt een remmend effect te hebben op de ontwikkeling van de pokken, mogelijk door laag zuurstofgehalte.

De kwaliteit van een perceel wordt dus voor een groot deel door de locatie bepaald. Zowel voor de Oosterschelde als de Waddenzee laten aanvoergegevens en meetgegevens zien dat de kwaliteit van mosselen verbeterd richting de zeegaten. Praktijk en onderzoek leert dat de overleving van mosselzaad, met name MZI zaad, beter is op de percelen in rustigere gebieden dan op meer geëxponeerde locaties. Het liefst ook op plekken waar het seiment wat gruiziger is zodat het mosselzaad zich ergens aan vast kan hechten. Echter, op de geëxponeerde locaties vlakbij de zeegaten, is de toevoer van voedsel vaak beter en dit zijn dan ook goede locatie voor de wat sterkere halfwas mosselen die minder gevoelig zijn voor wegspoeling dan zaad. Hier kunnen de halfwas mosselen uitgroeien tot een kwalitatief goede consumptie mossel. 

Mosselpercelen zijn vaak gepositioneerd in of langs geulen, waar de stroming relatief hoog is, er veel vermenging plaats vindt en het niet te slikkerig is. In de geul, neemt de stroomsnelheid stroomafwaarts af en wordt het water in toenemende mate gerefiltreerd. De hoeveelheid voedsel in het water neemt dus geleidelijk af waardoor de groei en kwaliteit afneemt. 

Lokale omstandigheden kunnen ook een rol spelen in de kwaliteit van een perceel. Afvoerende geultjes van bijvoorbeeld een plaat kunnen lokaal de voedselaanvoer naar het perceel beïnvloeden. Tevens kunnen benthische diatomeeën van de plaat tijdens de ebfase leiden tot extra voedsel in het water. Groei van een perceel in de monding van een dergelijke geul kan hierdoor beter zijn dan een naastgelegen perceel. Er zijn verschillende manieren waarop een kweker, afhankelijk van de locatie, het rendement van een perceel kan verbeteren. Kwekers kunnen het zaad extra goed verspreiden en de dichtheid af stemmen op de locatie om zo de competitie tussen de mosselen te verlagen maar er tegelijkertijd wel voor te zorgen dat de mosselen kunnen samenklonteren. Ook door schelpen mee te zaaien kan de overleving worden verhoogd. Doordat de grond gruiziger wordt gemaakt kunnen de mosselen zich beter hechten en spoelen ze minder snel weg. Daarnaast is het belangrijk om rekening te houden met de lokale voedseldynamiek. Dus om op het juiste moment de mosselen te verplaatsen naar een geschiktere locatie om uit te groeien tot consumptiemossel. Echter, de hoeveelheid en de kwaliteit van het voedsel varieert sterk van jaar tot jaar en door het seizoen. Ook zijn er grote verschillen tussen de percelen. Om het rendement van hun mosselzaad te optimaliseren verplaatsen de kwekers hun mosselen gedurende de kweekcyclus tussen de verschillende kweekpercelen die zij beschikbaar hebben. Ze maken daarbij een afweging tussen de verwachtte groei en overleving op de betreffende percelen. Op de percelen in de Noordelijke tak van de Oosterschelde is de groei over het algemeen beperkt en deze percelen worden voornamelijk gebruikt voor de opslag van mosselzaad en halfwas mosselen. Van hieruit worden de mosselen verplaatst naar de percelen in het middengebied en het westelijk deel van de Oosterschelde waar de mosselen verder uitgroeien tot consumptiemosselen.

Laat commentaar achter